Afdelingen

Als iemand mij nou maar had opgeraapt

Gedicht van Tjitske Jansen

'

Als iemand mij nou maar

had opgeraapt

en in zijn zak gestopt

en daar gelaten had,

dat af en toe een hand mij vond,

voelde hoe zacht ik was

en dan weer losliet.

Of op de vensterbank gelegd,

op ’t nachtkastje,

in een rommeldoos.

De keukenla!

Ik heb nog nooit een reis gemaakt,

ik moest zo nodig wortel schieten.

Als iemand mij nou maar had opgeraapt,

er was niets aan de hand geweest,

ik was kastanjebruin geweest,

ik had geglansd, geglansd,

wat later was ik wat gaan rimpelen,

en dan, nou ja, maar nu,

nu moet ik onvrijwillig transformeren

en niet zo’n beetje ook.

En steeds als ik zo ongeveer

gewend ben aan mijn nieuwe vorm,

steeds als ik zo min of meer

geaccepteerd heb

dat ik ben zoals ik ben,

dan ben ik alweer anders.

En als het nu zo was dat ik gekozen had

om zo te zijn, dat ik het wilde:

steeds een ring erbij,

zoveel soortgenoten aan mijn takken

in hun veilig stekelhuis,

zo anders dan ikzelf,

maar wat weet ik het nog goed.

Ik heb het opgegeven

te zijn zoals ik ben.

Ik groei maar mee

met wie ik worden zal.

Af en toe hoor ik

dat iemand zegt

hoe mooi ik ben.

In mijn schaduw

gebeuren dingen

die de moeite waard zijn.

'

uit: Het moest maar eens gaan sneeuwen

(besproken door de poëziekring op 27 februari)