In zijn nieuwste roman, De wandelaar, laat Adriaan van Dis de hoofdpersoon Parijs ontdekken met hulp van zijn nieuwe vriend, een zwerfhond. Mulder, een welvarende Nederlander, is getuige van een brand in een overbevolkt pand waarbij meerdere illegale Afrikanen omkomen en gewond raken. De hond komt uit het brandende gebouw en kiest Mulder als nieuwe baas. Op hun dagelijkse wandelingen leert Mulder mensen kennen van een andere sociale klasse, zoals daklozen, illegalen en bewoners van de verpauperde buitenwijken. Terwijl Parijs geleidelijk in de ban raakt van rellen en een verharding van het illegalenbeleid, leert Mulder de stad en enkele bewoners beter kennen. Ook maakt hij kennis met pater Bruno van de kerk in zijn buurt, met wie hij gesprekken heeft over religie, de zin van het leven en morele vraagstukken. Mulder heeft, als rijke blanke, last van schuldgevoelens en wil graag goed doen.
Met De wandelaar heeft Van Dis een verrassend geëngageerde roman geschreven. Maar ondanks de wat zwaardere thematiek heeft hij er een luchtig verhaal van weten te maken, dankzij zijn vlotte en licht ironische schrijfstijl. Grappig is bijvoorbeeld de scène waarin een eenbenige bedelares naar Mulders appartement komt om op de hond te passen terwijl Mulder bij pater Bruno wordt ontboden. Zij is niet van plan zijn appartement te verlaten: “Wat Mulder ook voor uitvluchten zocht, ze weigerde weg te gaan. Ze draaide haar kont in de kokosmat. Thee wou ze. En naar de wc. Mulder haastte zich naar zijn werkkamer, verstopte zijn dure wijn, duwde zijn zilveren fotolijstjes in een la en gooide een kleed over zijn notenhouten tafel. En de vulpennen, de zilveren erfstukken… achter de boeken ermee. De bedelares slofte de gang op en kraste met kruk en prothese tegen de verf. Mulder rende naar de wc om de schade op te nemen. Het mens had zich gewassen en de hele boel ondergespat. Zijn handdoek vuil, de spiegel. Hij begon als een gek te boenen. Onderwijl hing zij in zijn luie stoel, met haar vette haren tegen de bekleding. Hij gaf een gil toen hij dat zag. Wou een handdoek achter haar schouders leggen. En er zat een vlek op het kleed. Ze had haar voet niet geveegd. Die ene voet.”
Dit fragment laat mooi de tweeslachtige gevoelens van Mulder zien. Enerzijds wil hij graag goed doen en iets betekenen voor de arme en illegale mensen, maar anderzijds kan hij niet loskomen van zijn luxe en aangename leventje. Toch onderneemt hij dappere tochtjes buiten zijn eigen leefwereld, zoals een bezoek aan de buitenwijk waar Sri woont, een weduwe die hij geld wil geven voor de begrafenis van haar man. Hij maakt ook een avontuurlijke tocht met een louche leverancier van valse paspoorten. Op die momenten overwint zijn wens om goed te doen het van zijn angst en weerzin. Op het eind keert hij toch weer terug naar zijn luxe en veilige appartement. Maar zijn wandelingen zijn niet meer hetzelfde want hij kent nu ook de andere kant van Parijs. Een kant waar hij voorheen absoluut geen weet van had.
Eigenlijk heet Van Dis ook Adriaan Mulder naar zijn biologische vader, maar illegale tweede echtgenoot van zijn moeder. In zijn studietijd heeft hij de naam van zijn moeder aangenomen.
In de roman gaat het natuurlijk in de eerste plaats om een actuele thematiek: hoe gaan we met allochtonen om in een westerse beschaving? In Parijs zijn de laatste jaren herhaaldelijk rassenrellen uitgebroken in de banlieus, de verpauperde buitenwijken. In Nederland leeft de vrees dat we binnen niet al te lange tijd met dit soort rellen te maken zullen krijgen.
De wandelaar Mulder heeft er eerst geen oog voor: hij leefde als het ware in een ivoren toren. Hij liep wel door de straten, maar hij nam niets waar. Maar door de hond leert hij op een andere manier naar de lagere klassen in de sociale structuur kijken. Hij ziet wat er gebeurt met bedelaars en zwervers, hoeren en gelukszoekers. En hij voelt dat hij eigenlijk in de bres moet springen voor de zwakkeren in de samenleving.
Je kunt wel stellen dat Mulder aan een zekere verlatingsangst lijdt. Hij is heel bang dat het hondje hem in de steek zal laten. Later schenkt hij het min of meer aan het verbande meisje Fanta. Hij vindt het schenken niet zo leuk, maar hij beseft dat zij het hondje harder nodig heeft dan hijzelf. Hij cijfert zichzelf eveneens weg tegenover de mooie weduwe uit Sri Lanka die hij ontmoet.
In gesprekken die Mulder voert met père Bruno zet hij zich af tegen godsdienst, maar de whisky drinkende pater geeft hem toch goed partij. De gesprekken over religie doen denken aan de gesprekken die Elsschot zijn personage Laarmans laat voeren in Het dwaallicht.
Ank Maris