Op 8 april besprak de leeskring een roman van Tommy Wieringa – Joe Speedboot. Verschenen in 2005 en bekroond met de F. Bordewijk-prijs.
Personen
Inhoud
Invalshoek: de ontwikkeling van een 14jarige jongen tot volwassene. Standpunt van ik-persoon is consequent het uitgangspunt. Zijn leven, zijn omstandigheden, zijn inzichten en gedachten staan centraal. Fransje kan niet praten, maar dat vergeet je tijdens het lezen voortdurend. Hij communiceert met gebaren, grommen, of opschrijven.
De mensen hebben weinig zorg voor elkaar, dat druipt ook van Fransje af. Macro speelt dat bv over de asfaltfabriek. Op p 22 heeft de ik-persoon het over ‘rafelige vlaggen.’ Eigenlijk is alles en iedereen rafelig. P 23: aftands pontje, p 25: kwijl, p 30: directeur school scheldt Joe uit. Toppunt van verval in het dorp: oeverval, p 34.
Verder: eenzaam. Fransje vergelijkt het dorp zelfs met een dodenrijk (p 145). Hij neemt een kauwtje tegen de eenzaamheid (p 39). Wanneer Joe hem echt ziet (p 43) raakt hij geëmotioneerd. P 186: Fransje is dankbaar als Joe weer terugkomt.
Beweging is een belangrijk thema. Joe is gek op auto’s, hij bouwt een vliegtuig. De auto is belangrijk voor mensen (p 148: ‘we leveren eerder ons stemrecht in dan ons autootje’) en daarmee is het belang van de asfaltfabriek, dus van Lomark, in de wereld verduidelijkt.
Driehoeksrelaties staan centraal, tussen mensen maar ook driehoeksverbindingen tussen materialen.
In het dorp Lomark komt een nieuwe jongen wonen, Joe Speedboot, leeftijdgenoot van ik-persoon Fransje, 14 jaar. Joe wordt de voortrekker van ideeën en plannen in het clubje klasgenoten (p 59).
Fransje komt na 220 dagen uit coma, leeft voortaan in een rolstoel. In een terugblik op zijn leven (p 105-108) vertelt Fransje de lezer hoe hij gehandicapt is geraakt: door een grasmaaier.
Hij is afhankelijk van zijn broers (maar wil dat niet, p 23: ‘ik wil niet geduwd worden’). Als die hem achterlaten in een slooppand, ontmoet hij daar Joe Speedboot.
De ene arm van Fransje die het nog doet, blijkt stevig en sterk te zijn (p 37).
Hij gaat zelfstandig wonen in het thuishuis bij zijn ouders, met zijn dagboeken. Hij denkt dat die zijn oudedagsvoorziening zijn (p 47). In het dorp komt PJ wonen, dochter van tandarts, uit Zuid-Afrika.
Joe, Christof en Engel gaan een vliegtuig bouwen. Dan kunnen ze PJ’s moeder, die soms naakt buiten loopt, bespieden. Fransje gaat op gegeven moment meedoen: ‘een sterke hand die zijn krachten kent is een fijnzinniger werktuig dan een bankschroef of een tang’ (p 62). Joe doet een proef armdrukken met hem (p 63), vervolgens lukt het Fransje om een staaf ijzer te verbuigen (p 64). Het vliegtuig vliegt daadwerkelijk (p83). Fransje gaat alleen over het ijs naar het Veereiland om het te bekijken (p80).
De vader van Joe overlijdt (p 75), zijn moeder krijgt een nieuwe partner: Mahfouz Husseini.
Fransje leert drinken (p 100). In een vechtpartij wurgt hij bijna iemand (p 102). (Joe vecht nooit, p 104). Door alcohol worden zijn spasmen minder. Hij loopt als hij dringend moet poepen (p 122). Joe neemt hem een keer mee vliegen (p 126).
Fransje moet gaan werken (p 137): oud papier ophalen, daarvan briketten persen. Op die manier komt hij bij dorpsbewoners in huis (p 141). Leert oa over het NSB-verleden van veel dorpsbewoners (p 141, 142). Later blijkt (p 197) dat zijn vader die briketten helemaal niet verkoopt, dus hem voor het lapje heeft gehouden. Dat is het einde van dit deel, en dus de omslag in Fransje’s leven.
Mahfouz verdwijnt (p 153, 157), Joe is daar niet emotieloos onder (p 167). Hij mislukt op de kunstacademie (p 161) en gaat werken in de asfaltfabriek. Joe heeft contact met PJ. Die is in Amsterdam gaan wonen waar ze een relatie met een schrijver heeft (p 165). Fransje voelt zich tegenover haar diep gefrustreerd door zijn handicap (p 176). Hij verwaarloost zijn kauwtje (p 181), dat wegvliegt (p 185).
Fransje’s ene sterke arm wordt zijn zwaard (p 203). Hij gaat onder supervisie van Joe trainen en wint zijn eerste wedstrijd (p 208). Ondertussen gaat de asfaltering van het land verder (p 209). In het volgende toernooi weigert een tegenstander het tegen Fransje op te nemen (p 216). Dat is ‘pijnlijk en beledigend’. Joe weerspreekt dat (p 217) en Fransje wint het toernooi.
Op een volgend toernooi verliest hij, dus moet nog sterker worden (p 222).
Joe en Fransje reizen altijd samen, en een keer gaat PJ mee (p 231). Dat toernooit wint Fransje weer (p 240).
De beschrijving van de ik-persoon worden wat meer beschouwend. Over de relatie met zijn vader (p 243), over Joe en PJ, over zijn relatie met Joe. Schoolvriend Engel gaat dood (p 253).
PJ wordt verraden door haar zogenaamde vriend de schrijver (p 262-264, 269) en gaat ook mee naar een toernooi in Poznan. Daar vecht Fransje tegen kampioen Mansur; hij breekt zijn armbot en verliest.
PJ en hij ontdekken de echte naam van Joe, en hij denkt aan naamswijzigingen in de bijbel (p 285). Zijn seksuele relatie met PJ begint (p 289, 304). Later hebben zij een gesprek over geloven (p 302).
Joe gaat naar Afrika (p 292), zogenaamd voor een rally maar hij wil naar zijn stiefvader. Hij raakt zoek (p 306) daar in de buurt, en komt later terug (p 307), hij heeft zijn voertuig (shovel) bij Papa Afrika gelaten.
Ook Christof krijgt een seksuele relatie met PJ (p 311), zij trouwen (p 312). Joe gaat weg, en vliegt tijdens het huwelijk over met een spandoek: PJ is een hoer (p 314). Het kind van PJ kan van Christof zijn, maar ook van Fransje (p 315). Die stopt met armworstelen (p 316). Dorp is geïsoleerd geraakt door snelweg, en wat Fransje voor levensvervulling heeft blijft duister.
Stijl
Meteen op de 1e pagina wordt de lezer bij de strot gegrepen. Het sociale milieu en de medische toestand van de hoofdpersoon worden heel compact beschreven in de eerste 3 alinea’s.
Heldere schrijftrant, beeldend, een goed te verfilmen verhaal waaraan een scenarioschrijver weinig meer hoeft te doen (behalve inkorten natuurlijk). Toch is juist daarover onenigheid ontstaan tussen scenarist en auteur.
Verder nogal onverschillige, grove taal, zie discussievraag hierover. Die taal past bij de rafeligheid van alles en iedereen.
Het is knap dat de auteur ons doet vergeten dat Fransje niet kan praten. Als hij dat niet af en toe in het verhaal een rol liet spelen, zou je het niet weten.
Elke zweem van zieligheid ontbreekt. P 111: ‘elk woord dat ik schrijf, schrijf ik tussen twee spasmen in.’
Auteur
Nederlander, geboren 1967, jeugd gedeeltelijk op Aruba. Opleiding journalist. Altijd veel gereisd, gewerkt bij NS. Reist nog steeds. Nu schrijver in Rails, Spits, Volkskrant.
Drie romans voor deze: ‘Dormantique’s manco (1995), ‘Amok’ (1997), ‘Alles over Tristan’ (2002). In 2006 verscheen ‘Ik was nooit in Isfahaan’ (reisverhalen).
Discussievragen
Marja Kroef